ECLI:NL:CRVB:2010:BN8775

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1219 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 11 WWBArt. 54 WWBArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken redelijke grond huisbezoek

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na haar scheiding ontving zij bijstand als alleenstaande ouder. Het College van burgemeester en wethouders van Spijkenisse twijfelde aan de juistheid van haar opgegeven woon- en leefsituatie en wilde een huisbezoek afleggen. Appellante weigerde medewerking, waarna het College haar bijstand introk.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College geen redelijke grond had voor het huisbezoek. De feiten en omstandigheden die het College aanvoerde, waren onvoldoende om te twijfelen aan de opgave van appellante dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner.

De Raad stelt dat het ontbreken van een redelijke grond betekent dat appellante niet kan worden verweten dat zij het huisbezoek weigerde. Hierdoor was het College niet bevoegd om de bijstand in te trekken. De Raad vernietigt het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het College in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het College wordt veroordeeld in de proceskosten; het besluit tot intrekking van de bijstand wordt herroepen.

Uitspraak

09/1219 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 januari 2009, 08/118 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse (hierna: College)
Datum uitspraak: 21 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. V.S. Waterval, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Waterval. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Daniëlse en M. de Jonge, werkzaam bij de gemeente Spijkenisse.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Tot 20 september 2005 ontving appellante samen met [B.] bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op die datum zijn zij uit elkaar gegaan. Zij hadden toentertijd samen twee kinderen. Vanaf 20 september 2005 ontving appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder en [B.] naar de norm voor een alleenstaande. In die tijd is een huisbezoek afgelegd. Daarbij werd vastgesteld dat niets er op wees dat appellante en [B.] samenwoonden. Op 26 februari 2007 heeft appellante een derde kind gekregen. [B.] is de vader en heeft het erkend.
1.2. Appellante en [B.] hadden in verband met hun uitkering contact met dezelfde klantmanager. Bij deze klantmanager is twijfel ontstaan omtrent de juistheid van de door appellante opgegeven woon- en leefsituatie. Op 23 april 2007 omstreeks 15.10 uur hebben een sociaal rechercheur en de klantmanager een huisbezoek willen verrichten in de woning van appellante. [B.] bleek daar aanwezig. Appellante heeft medewerking aan het huisbezoek geweigerd.
1.3. Bij besluit van 25 april 2007 heeft het College de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 23 april 2007 op de grond dat appellante geen medewerking heeft verleend die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.
1.4. Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2007 ongegrond verklaard.
1.5. Met ingang van 18 oktober 2007 heeft het College appellante weer bijstand verstrekt naar de norm voor een alleenstaande ouder.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 12 oktober 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat een redelijke grond voor het verrichten van het huisbezoek ontbrak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 17, eerste lid, (tekst tot 1 januari 2008) van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
4.2. Indien de belanghebbende de inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 11 april 2007, LJN BA2410 en BA2436 en van 24 november 2009, LJN BK4057) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien vóór of uiterlijk bij aanvang van dat huisbezoek in het individuele geval voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.
4.4. Blijkens het besluit van 12 oktober 2007 en de daaraan ten grondslag liggende rapportage van 26 april 2007 heeft het College deze redelijke grond aanwezig geacht op de volgende feiten en omstandigheden. Het was klantmanager opgevallen in haar telefonische contacten met appellante dat [B.] regelmatig bij appellante aanwezig was. [B.] regelde bij die gelegenheden ook zijn uitkeringszaken met de klantmanager. Appellante en [B.] stelden ook vragen aan de klantmanager over elkaars uitkeringen. Als verklaring voor deze aanwezigheid van [B.] bij appellante is gegeven dat zij goed met elkaar omgingen voor de kinderen. Appellante en [B.] hebben, nadat zij uit elkaar waren gegaan, een derde kind gekregen, dat door hem is erkend. [B.] heeft een afspraak met het re-integratiebureau afgezegd toen appellante in het ziekenhuis was opgenomen om te bevallen. [B.] heeft meegedeeld drie weken na de bevalling, die via een keizersnede plaatsvond, niet beschikbaar te zijn voor re-integratie, omdat hij op de kinderen moest passen. Bij de poging om tot een huisbezoek te komen op 23 april 2007 heeft [B.] verklaard dat hij dagelijks mee-eet bij appellante.
4.5. De Raad stelt vast dat de laatste mededeling blijkens de genoemde rapportage door [B.] is gedaan, nadat appellante de medewerking aan het huisbezoek had geweigerd en de klantmanager en de sociaal rechercheur hadden meegedeeld dat de uitkering van appellante zou worden ingetrokken. Deze verklaring kan de redelijke grond voor het huisbezoek niet mede dragen, omdat die niet bekend was bij het College vóór of bij aanvang van het huisbezoek.
4.6. Bij de beoordeling of de overige feiten en omstandigheden voldoende zijn om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellante dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met [B.], is van belang dat, nu appellante en [B.] samen kinderen hebben, voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding slechts relevant is of zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Feiten en omstandigheden die wijzen op financiële verstrengeling of wederzijdse zorg, zijn in dit geval dus niet van belang voor het bestaan van een redelijke grond voor een huisbezoek.
4.7. De hier door het College vóór het huisbezoek geconstateerde feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellante omtrent het ontbreken van een gezamenlijk hoofdverblijf. Daarbij is van betekenis dat omtrent de telefonische contacten van de klantmanager met appellante en [B.] uit het dossier niet blijkt wanneer die hebben plaatsgevonden, hoe vaak en op wiens initiatief, zodat de door de klantmanager waargenomen regelmatige aanwezigheid van [B.] bij appellante niet verder kan worden geduid. Verder is van belang dat de betrokkenheid van [B.] bij en kort na de bevalling van het derde kind incidentele feiten en omstandigheden zijn die evenmin kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van redelijke twijfel als hiervoor bedoeld. De bij de klantmanager gerezen twijfel omtrent de woon- en leefsituatie van appellante op grond van deze feiten en omstandigheden kon uiteraard wel aanleiding zijn voor het College om een nader onderzoek te doen met minder ingrijpende methoden, zoals gehoren, observaties of het opvragen van gegevens van energieverbruik.
4.8. Nu een redelijke grond voor het huisbezoek ontbrak, kan appellante niet worden tegengeworpen dat zij geweigerd heeft daaraan mee te werken. Het voorgaande betekent dat er geen sprake is van schending van de op appellante rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting, zodat het College niet bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 23 april 2007 in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 oktober 2007 vernietigen. Voorts wordt het besluit van 25 april 2007 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht herroepen, omdat het bevoegdheidsgebrek niet kan worden hersteld.
5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in de bezwaarprocedure, € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.932,--, te betalen aan de griffier van de Raad.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 12 oktober 2007;
Herroept het besluit van 25 april 2007;
Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2010.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) N.M. van Gorkum.
SG