ECLI:NL:CRVB:2010:BN9616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet hoofdzakelijk woonachtig zijn
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op basis van hun vermeende woonplaatsen. Na een tip startte de sociale recherche een onderzoek naar de feitelijke woonsituatie van appellant. Uit verklaringen, getuigenverklaringen en dossieronderzoek bleek dat appellant niet hoofdzakelijk woonde op het opgegeven adres, maar bij zijn gezin elders.
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel trok de bijstand van appellant over de periode 1 januari 2006 tot en met 10 september 2006 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verklaringen onjuist waren vertaald en onder druk waren afgelegd, maar de Raad verwierp deze stellingen op grond van de ambtelijke processen-verbaal en het ontbreken van aanwijzingen voor dwang.
De Raad achtte de verklaringen van appellant en zijn echtgenote consistent en in overeenstemming met overige onderzoeksbevindingen, waaronder getuigenverklaringen en het geringe energieverbruik op het opgegeven adres. Appellant had ook niet aan instanties zijn nieuwe adres doorgegeven, wat de Raad meewoog.
De Raad concludeerde dat appellant zijn woonplaats niet juist had opgegeven en daarmee zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.