ECLI:NL:CRVB:2010:BN9720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging maatregel bijstand wegens verwijtbaar ontslag niet gerechtvaardigd
Appellante werkte als schoonmaakster en stopte met werken in december 2008 vanwege rugklachten na mishandeling door haar echtgenoot. Zij leefde sinds 19 december 2008 gescheiden en haar arbeidsovereenkomst eindigde op 31 december 2008. Na weigering van een WW-uitkering vroeg zij bijstand aan, die werd toegekend met een maatregel van 50% verlaging wegens verwijtbaar ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante zich ziek had moeten melden of haar werkgever op de hoogte had moeten stellen. De Raad oordeelt echter dat de ontslagname vóór de dag van melding bij het CWI plaatsvond, waardoor de verplichtingen uit de WWB nog niet golden. De opgelegde maatregel is daarom onrechtmatig.
Hoewel appellante in moeilijke omstandigheden verkeerde, is onvoldoende gebleken dat voortzetting van haar dienstbetrekking redelijkerwijs niet van haar kon worden verlangd. Wel heeft zij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid getoond. De Raad vernietigt het besluit en bepaalt dat het College opnieuw moet beslissen, rekening houdend met haar persoonlijke situatie als alleenstaande ouder.
Daarnaast veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand wegens verwijtbaar ontslag wordt vernietigd en het College moet opnieuw beslissen.