ECLI:NL:CRVB:2010:BN9771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt verlaging WW-uitkering wegens te late aanvraag
Appellant diende op 24 november 2008 een aanvraag in voor een WW-uitkering, terwijl hij reeds op 1 november 2008 werkloos was geworden. Het UWV had de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling genomen wegens het niet tijdig aanleveren van benodigde gegevens. Na bezwaar kende het UWV alsnog een WW-uitkering toe over de periode van 3 november 2008 tot en met 2 februari 2009, maar verlaagde de uitkering met 5% over de periode van 10 november tot 9 december 2008 vanwege de te late aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar liet na in te gaan op de beroepsgrond dat het UWV de hoogte en duur van de uitkering onvoldoende inzichtelijk had gemaakt. De Centrale Raad van Beroep vernietigde dit deel van het vonnis en beoordeelde deze beroepsgrond zelf. De Raad oordeelde dat het UWV de hoogte en duur van de uitkering voldoende had toegelicht, onder meer door het dagloon en de bruto uitkeringsbedragen te vermelden.
Verder stelde de Raad vast dat appellant niet tijdig aan zijn verplichting had voldaan om binnen een week na werkloosheid een aanvraag in te dienen, zoals vereist in artikel 26 van Pro de WW. Omdat appellant geen goede reden had voor de late aanvraag, was de verlaging van de uitkering terecht en in overeenstemming met de geldende regelgeving.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het griffierecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze niet oordeelde over de beroepsgrond inzake de inzichtelijkheid van de uitkering, en voor het overige bevestigd met verbeterde gronden.
Uitkomst: De Raad vernietigt het vonnis voor het niet beslissen over de inzichtelijkheid van de uitkering en bevestigt dat de verlaging wegens te late aanvraag terecht is.