ECLI:NL:CRVB:2010:BO0010
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft zich in 2005 ziek gemeld vanuit een werkloosheidssituatie en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV besloot in 2007 dat zij geen recht had op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Dit besluit werd in bezwaar en door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden had en dat haar psychische en lichamelijke klachten onvoldoende waren meegewogen. Zij overlegde medische stukken over het syndroom van Klippel-Trenaunay en andere aandoeningen. De Raad oordeelde dat de beperkingen als gevolg van deze aandoeningen voldoende waren verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst en dat de geduide functies passend waren.
De Raad overwoog tevens dat de WAO-uitkering niet heropend hoefde te worden omdat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen sinds intrekking waren toegenomen. De stelling dat zij de functie huishoudelijk medewerker niet kon uitoefenen, werd verworpen omdat het ging om werkzaamheden in een ziekenhuisbeddencentrale en niet om huishoudelijk werk thuis. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt en de beperkingen adequaat zijn meegenomen.