ECLI:NL:CRVB:2010:BO0179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot buiten behandeling stellen bijstandsaanvraag bij onvolledige inschrijving
Betrokkene diende op 16 april 2007 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering onder de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij hij een verblijfadres opgaf dat niet overeenkwam met zijn inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam stelde de aanvraag buiten behandeling omdat betrokkene niet binnen een gestelde termijn een bewijs van inschrijving op het opgegeven adres had geleverd.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van het college, stellende dat het niet noodzakelijk was dat betrokkene stond ingeschreven op het opgegeven adres om het recht op bijstand te beoordelen. Het college ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college niet bevoegd was om de aanvraag buiten behandeling te stellen op grond van artikel 4:5 Awb Pro, omdat het bewijs van inschrijving geen noodzakelijke gegevens betreft voor de beoordeling van de aanvraag. Het feit dat het opgegeven adres afwijkt van het GBA-adres staat het recht op bijstand niet in de weg. Ook werd overwogen dat de gevraagde handeling geen aanvulling van de aanvraag betreft, maar een feitelijke handeling.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad legde tevens een griffierecht op aan het college.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt verworpen en de aanvraag buiten behandeling stellen was niet bevoegd.