ECLI:NL:CRVB:2010:BO0474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage waarin het beroep tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen, werd afgewezen. Het UWV had vastgesteld dat appellante per 30 juli 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende gegevens bevatte om een afgewogen oordeel te geven over de beperkingen van appellante. Daarbij werd meegewogen dat de bezwaarverzekeringsarts informatie had opgevraagd bij de behandelend internist en GZ-psycholoog. Ook de arbeidskundige beoordeling was voldoende gemotiveerd om te concluderen dat appellante de aan haar voorgehouden functies kon vervullen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende medische beperkingen had aangenomen en dat de behandelend sector geraadpleegd had moeten worden. De Raad oordeelde echter dat deze argumenten een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat het oordeel van de rechtbank standhield. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en weigering WIA-uitkering bevestigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.