ECLI:NL:CRVB:2010:BO1309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit bijstand wegens onjuiste grondslag vakantieperiode en voorarrest
Appellant had bij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam bezwaar gemaakt tegen het besluit tot intrekking van zijn bijstandsuitkering over twee periodes: een vakantieperiode van 15 tot en met 24 december 2006 en een voorarrestperiode van 31 januari tot en met 2 februari 2007. Het College had het bezwaar ongegrond verklaard, waarna de rechtbank dit standpunt bevestigde.
De Raad oordeelt dat appellant de maximaal toegestane vakantieduur per kalenderjaar met tien dagen heeft overschreden, maar dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellant gedurende die vakantieperiode in het buitenland verbleef of duurzaam buiten Amsterdam woonde. Daarom is de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB onjuist en dient het besluit over deze periode te worden vernietigd en een nieuw besluit genomen.
Ten aanzien van de periode van voorarrest stelt de Raad vast dat appellant gedurende drie dagen rechtens zijn vrijheid was ontnomen en dat dit verblijf gepaard gaat met enige besparing op de directe kosten van levensonderhoud. Daarom bestaat geen recht op bijstand over deze periode en wordt het besluit bevestigd.
Tot slot veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant voor zowel beroep als hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Besluit intrekking bijstand over vakantieperiode vernietigd, besluit over voorarrest bevestigd.