ECLI:NL:CRVB:2010:BO2007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen bankrekeningen en levensverzekeringen
Appellante ontving bijstand vanaf 1994 en opnieuw vanaf 2001. Het College ontdekte dat zij bankrekeningen en levensverzekeringen niet had opgegeven, waardoor haar vermogen de vermogensgrens overschreed. Het College trok daarom de bijstand in over de periode van 2001 tot 2004 en vorderde ten onrechte betaalde bijstand terug, tevens werd een maatregel van verlaging opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Raad vast dat bij de herberekening van het vermogen rekening moest worden gehouden met schulden van appellante. Dit leidde tot een aangepaste intrekkingperiode en een lager terugvorderingsbedrag.
De Raad oordeelde dat het College terecht kon eisen dat levensverzekeringen, ook als pensioenvoorziening bedoeld, konden worden afgekocht. Appellante had de inlichtingenplicht verwijtbaar geschonden, waardoor de maatregel van verlaging terecht was opgelegd.
De Raad vernietigde het besluit voor het deel van de intrekking en terugvordering over de periode van 13 december 2003 tot 17 mei 2004 en stelde het terugvorderingsbedrag vast op € 15.304,47. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. Het College werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden aangepast en beperkt tot de periode tot 12 december 2003, de maatregel verlaging blijft in stand.