ECLI:NL:CRVB:2010:BO2650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J. Brand
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkeringen Wajong en WAO
Appellant, geboren in 1968, vroeg een Wajong-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid op zijn 17e verjaardag en een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid per 12 maart 1997 en 31 mei 2001. Het UWV wees de Wajong-aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van arbeidsongeschiktheid op zijn 17e, waarbij de Raad oordeelde dat de beoordeling onterecht op de Wajong-wet was gebaseerd in plaats van de destijds geldende AAW, maar inhoudelijk gelijkwaardig.
De WAO-aanvraag werd aanvankelijk afgewezen vanwege een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% per 12 maart 1997. Appellant stelde dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 31 mei 2001 niet was beoordeeld. De rechtbank bevestigde de beoordeling per 12 maart 1997 maar wees het verzoek om beoordeling van de latere datum af. De Raad vernietigde dit oordeel en oordeelde dat het UWV ook over de arbeidsongeschiktheid per 31 mei 2001 een besluit moet nemen.
De Raad onderschreef de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 12 maart 1997 en verwierp het verzoek om een terugwerkende kracht van meer dan een jaar voor de WAO-uitkering. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen over de arbeidsongeschiktheid per 31 mei 2001. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Afwijzing Wajong-uitkering bevestigd; besluiten over WAO deels vernietigd wegens onvolledige beoordeling; nieuw besluit door UWV opgelegd.