ECLI:NL:CRVB:2010:BO2838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens onvoldoende zorgvuldig onderzoek
Appellant had een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering, welke door het UWV per 4 augustus 2008 blijvend geheel werd geweigerd omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV handhaafde het standpunt bij het bestreden besluit van 7 mei 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de weigering.
Tijdens de zitting van de Centrale Raad van Beroep heeft de gemachtigde van het UWV het eerdere standpunt niet langer gehandhaafd en erkend dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was geweest. Hierdoor kon het bestreden besluit niet worden gehandhaafd. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV opnieuw op het bezwaar van appellant moet beslissen, inclusief het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant, begroot op in totaal € 759,--, en bepaalde dat het griffierecht van € 151,-- aan appellant wordt vergoed. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 november 2010.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw op het bezwaar beslissen.