ECLI:NL:CRVB:2010:BO3198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het College stelde na onderzoek vast dat zij gedurende de periode van 23 augustus 2006 tot en met 3 januari 2007 een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-man, zonder dit te melden. Dit leidde tot herziening en terugvordering van bijstand en oplegging van een maatregel.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, omdat onvoldoende feitelijke grondslag was voor de gezamenlijke huishouding vanaf 23 augustus 2006, maar erkende dit vanaf eind september 2006. Appellante ging in hoger beroep tegen dit laatste oordeel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het nieuwe besluit van het College, genomen ter uitvoering van de rechtbankuitspraak, het belang van appellante bij het hoger beroep niet wegneemt. Uit diverse waarnemingen, getuigenverklaringen en het feit dat de ex-man tijdens een huisbezoek in haar woning werd aangetroffen, concludeerde de Raad dat sprake was van gezamenlijke huishouding.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.