ECLI:NL:CRVB:2010:BO3622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit over weigering overneming loonverplichtingen na faillissement
Betrokkene was sinds 1 februari 2000 in dienst bij een bedrijf dat op 21 maart 2007 failliet werd verklaard. Na de faillissementsuitspraak stopten de loonbetalingen en betrokkene vroeg een WW-uitkering aan. Appellant, het UWV, weigerde de overneming van loonverplichtingen omdat betrokkene op de datum van betalingsonmacht (7 november 2006) niet meer in dienst zou zijn geweest en er twijfel bestond over het bestaan van een arbeidsovereenkomst en de loonbetalingen.
De rechtbank oordeelde dat er wel een arbeidsovereenkomst bestond en vernietigde het besluit van appellant. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De Raad wees op de onduidelijkheden rond de loonstroken, het ontbreken van schriftelijke arbeidsovereenkomsten, het ontbreken van kwitanties bij kasbetalingen en het betwisten van de loonvordering door de curator.
De Raad concludeerde dat de loonvorderingen onvoldoende aantoonbaar en te zeer aan twijfel onderhevig zijn. De proceskosten werden aan appellant opgelegd. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en griffier op 10 november 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit over het ontbreken van een arbeidsovereenkomst, maar laat de rechtsgevolgen in stand wegens onvoldoende bewijs van loonvorderingen.