ECLI:NL:CRVB:2010:BO3643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
In deze zaak heeft de afdeling Controle en Opsporing van de gemeente Amsterdam vastgesteld dat appellante vanaf 9 augustus 2001 een gezamenlijke huishouding voert met een derde persoon. Op basis hiervan heeft het College de bijstand ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd over de periode van 9 augustus 2001 tot en met 31 mei 2006.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de terugvordering en het College heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen deze beslissing afgewezen. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het College rekening had moeten houden met het tijdsverloop tussen intrekking en terugvordering en met haar financiële en medische situatie.
De Raad stelt vast dat de intrekking van de bijstand in rechte onaantastbaar is geworden omdat appellante daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. De Raad oordeelt dat het College bevoegd was tot terugvordering en dat het tijdsverloop geen reden is om van deze bevoegdheid af te zien. Ook zijn de aangevoerde persoonlijke omstandigheden onvoldoende om af te wijken van de beleidsregels. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.