ECLI:NL:CRVB:2010:BO3651
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Verjaring tenuitvoerlegging renteschuld krediet bijstand en weigering kwijtschelding
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand in de vorm van een krediethypotheek, die vanaf 1 juni 1991 moest worden terugbetaald. De hoofdsom werd in augustus 1998 volledig afgelost, maar de renteschuld bleef bestaan. In 2005 verzocht appellant om kwijtschelding of matiging van de renteschuld, wat het College afwees.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de verjaringstermijn van twintig jaar van toepassing was, waardoor het College nog kon invorderen. De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat voor de renteschuld een verjaringstermijn van vijf jaar geldt, omdat het gaat om periodieke betalingen.
Omdat het College pas in 2005 stuitingshandelingen verrichtte, zijn betalingen die vóór 5 december 2000 voldaan hadden moeten zijn verjaard. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan en er geen bijzondere omstandigheden zijn.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het College, verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat het College een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot invordering van de niet-verjaarde renteschuld wordt vernietigd.