ECLI:NL:CRVB:2010:BO3659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens ondeugdelijke grondslag gezamenlijke huishouding
Appellant werd geconfronteerd met een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering aan [H.], waarbij ook appellant werd aangeslagen wegens vermeende gezamenlijke huishouding met [H.].
De Raad beoordeelde of appellant en [H.] gedurende de periode van 9 augustus 2001 tot en met 31 mei 2006 een gezamenlijke huishouding voerden zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de WWB. Uit onderzoek en verklaringen bleek onvoldoende bewijs dat appellant zijn hoofdverblijf vanaf 9 augustus 2001 in dezelfde woning als [H.] had. Wel was aannemelijk dat appellant vanaf 1 juni 2004 tot 31 mei 2006 zijn hoofdverblijf op dat adres had.
De Raad vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank omdat de terugvordering niet op een deugdelijke grondslag berustte voor de gehele periode. Het College moet een nieuw besluit nemen waarbij alleen de periode vanaf 1 juni 2004 in aanmerking wordt genomen. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering bijstand wordt vernietigd voor de periode vóór 1 juni 2004 en het College moet een nieuw besluit nemen.