ECLI:NL:CRVB:2010:BO3666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking WW- en BWW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na strafontslag
Appellante, voormalig conducteur bij de gemeente Amsterdam, werd ontslagen wegens herhaald ernstig plichtsverzuim en kreeg daarop zowel een WW- als een BWW-uitkering toegekend met korting vanwege niet-naleving van sollicitatieplicht. Het UWV trok de WW-uitkering in wegens verwijtbare werkloosheid en stelde het recht op voorschotten vast op nihil. De BWW-uitkering werd eveneens ingetrokken omdat appellante geen recht had op deze uitkering gelet op de ontslaggrond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht van de WW-uitkering mocht terugkomen na nadere dossierbeoordeling en dat appellante verwijtbaar werkloos was vanwege haar gedrag tijdens het incident dat leidde tot het strafontslag. De Raad stelde vast dat het besluit over de BWW-uitkering door een onbevoegd orgaan was genomen en vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
Verder verbeterde de Raad de partijstelling door de werkgever als partij aan te merken en veroordeelde deze tot vergoeding van bezwaarkosten en proceskosten. De Raad benadrukte dat het UWV niet in strijd handelde met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, mede omdat reeds betaalde uitkeringen niet werden teruggevorderd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt terecht ingetrokken wegens verwijtbare werkloosheid; het besluit over de BWW-uitkering wordt vernietigd wegens onbevoegdheid, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.