ECLI:NL:CRVB:2010:BO6301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag overneming betalingsverplichtingen werkgever op grond van hoofdstuk IV WW
Appellant, voormalig werknemer van een Amerikaanse werkgever, verzocht om overneming van de betalingsverplichtingen van zijn werkgever op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Deze aanvraag werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) afgewezen omdat appellant geen bewijs leverde dat de werkgever in een blijvende toestand van betalingsonmacht verkeerde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de werkgever was opgehouden te betalen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij alles had gedaan om betaling af te dwingen, waaronder het starten van een bodemprocedure.
De Raad overwoog dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat de werkgever in een blijvende betalingsonmacht verkeert. Het enkele starten van een bodemprocedure is onvoldoende. Er was geen sprake van faillissement of surséance van betaling. Appellant kon geen concrete aanwijzingen overleggen die wijzen op betalingsonmacht.
De Raad concludeerde dat niet aan de voorwaarden van hoofdstuk IV van de WW was voldaan en bevestigde de afwijzing van de aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag tot overneming van de betalingsverplichtingen van de werkgever wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.