ECLI:NL:CRVB:2010:BO7684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand tot 1 januari 2004 en stond ingeschreven op een adres te [woonplaats]. Het College vermoedde dat zij samenwoonde met appellant en samen een frituur exploiteerden, wat aanleiding gaf tot een onderzoek door de Sociale Recherche. Op 11 februari 2004 werd een onaangekondigd huisbezoek afgelegd, waarbij bevindingen werden gedaan die leidden tot het besluit van 26 mei 2004 om de bijstand over de periode 1 juli 1997 tot en met 31 december 2003 in te trekken en de kosten terug te vorderen.
De Raad oordeelt dat er een redelijke grond bestond voor het huisbezoek, ondanks dat appellante niet volledig geïnformeerd was over haar rechten, wat een inbreuk op artikel 8 EVRM Pro inhoudt. Desondanks is het gebruik van de tijdens het huisbezoek verkregen informatie niet ontoelaatbaar, mede omdat weigering van medewerking ook zou leiden tot intrekking van bijstand.
Uit verklaringen van appellante, appellant en getuigen bleek dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante en dat sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door financiële en huishoudelijke verstrengeling. De Raad concludeert dat de gezamenlijke huishouding aannemelijk is en bevestigt het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.