ECLI:NL:CRVB:2010:BO8030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Evenredige toerekening resterende verdiencapaciteit bij samenloop WAZ- en WIA-uitkering
Appellante was zowel als zelfstandig kunstenares (WAZ-verzekerde arbeid) als in loondienst (WIA-verzekerde arbeid) werkzaam en viel op 22 maart 2004 uit voor beide werkzaamheden. Het UWV kende haar aanvankelijk geen WAZ-uitkering toe wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid, maar wijzigde dit later naar een uitkering gebaseerd op 35-45% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond en niet-ontvankelijk voor andere onderdelen.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend en dat haar resterende verdiencapaciteit onjuist was toegerekend aan de WIA-verzekerde arbeid. Het UWV had de resterende verdiencapaciteit volledig toegerekend aan de WIA, wat volgens de Raad onvoldoende gemotiveerd was. De Raad oordeelde dat bij samenloop van WAZ- en WIA-verzekeringen een redelijke wetstoepassing vereist dat de resterende verdiencapaciteit naar evenredigheid wordt toegerekend aan beide verzekeringsstelsels.
De Raad vernietigde de eerdere besluiten van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en beval het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze redelijke toerekening. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en werd het griffierecht aan appellante vergoed. De Raad heropende het onderzoek voor een nadere uitspraak over een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij ook de Staat der Nederlanden als partij werd betrokken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt eerdere besluiten en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen met evenredige toerekening van resterende verdiencapaciteit.