ECLI:NL:CRVB:2010:BO8178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging dienstbetrekking
Appellante was sinds november 2006 wegens ziekte uitgevallen en probeerde haar werkzaamheden gedeeltelijk te hervatten, maar meldde zich in januari 2008 opnieuw ziek. Het UWV legde in augustus 2008 een loonsanctie op aan haar werkgever vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen. Ondanks deze sanctie stemde appellante in september 2008 in met een beëindigingsovereenkomst die haar dienstbetrekking per 1 maart 2009 beëindigde.
Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat zij zonder deugdelijke grond had ingestemd met de beëindiging, waardoor zij haar aanspraak op loon tot november 2009 had prijsgegeven. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd meegewogen dat zij al vóór de loonsanctie schriftelijk had gevraagd om beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
In hoger beroep voerde appellante aan dat voortzetting van de dienstbetrekking niet van haar kon worden verlangd vanwege de starre houding van de werkgever en een acute medische noodzaak. De Raad oordeelde echter dat appellante de werkgever de kans had moeten geven een passend re-integratieplan uit te voeren en dat zij haar stelling niet met medische gegevens had onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees erop dat appellante was geïnformeerd over het opzegverbod en de gevolgen van instemming met beëindiging. Er was geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. De Raad wees het beroep af en veroordeelde het UWV niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging van de dienstbetrekking.