ECLI:NL:CRVB:2010:BO8447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting en maatregel bijstandverlening zelfstandige volgens Bbz 2004
Appellant, een zelfstandige met een eenmanszaak, ontving bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht had de bijstand meerdere malen voortgezet voor telkens zes maanden en daarbij de verplichting opgelegd tot medewerking aan managementbegeleiding door een externe partij (FCBV). Na niet-naleving van deze verplichting schortte het College de bijstand op en legde een verlaging op.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond voor de voortzetting van de bijstand, maar vernietigde het besluit tot opschorting wegens onjuiste grondslag. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het College de bijstandverlening na zes maanden mag voortzetten voor nogmaals zes maanden in plaats van twaalf, mede gelet op de rapportage over de levensvatbaarheid van het bedrijf.
De Raad oordeelt dat de opgelegde verplichting tot medewerking aan managementbegeleiding een geldige verplichting is op grond van artikel 38 Bbz Pro 2004 en dat appellant deze niet is nagekomen. Echter, omdat het vereiste koninklijk besluit op grond van artikel 78g WWB ontbreekt, is artikel 18 WWB Pro niet van toepassing voor het opleggen van een maatregel aan zelfstandigen. De verlaging van de bijstand is daarom vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op basis van artikel 14 Abw Pro.
Uitkomst: De Raad bevestigt de voortzetting van bijstand voor zes maanden en vernietigt de maatregel verlaging bijstand wegens ontbreken wettelijke grondslag.