ECLI:NL:CRVB:2010:BO9349

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4969 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 21 Beroepswet
Verwijzingen
12 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen doorzendplicht naar centrumgemeente bij onbekende feitelijke verblijfplaats adresloze vreemdeling

Verzoeker, een meerderjarige vreemdeling van Chinese nationaliteit, diende op 14 september 2009 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning en vervolgens op 16 oktober 2009 een bijstandsaanvraag bij het College van burgemeester en wethouders van Zoetermeer. Deze aanvraag werd op 2 december 2009 afgewezen omdat verzoeker geen woonplaats in Zoetermeer had opgegeven en ook geen andere woonplaats bekend was.

De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker stelde dat het College de doorzendplicht uit artikel 2:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht had geschonden door zijn aanvraag niet door te zenden naar een centrumgemeente voor adreslozen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College niet kon beoordelen welk bestuursorgaan bevoegd was omdat verzoeker zijn feitelijke verblijfplaats niet bekend had gemaakt. Hierdoor kon het College niet worden verplicht de aanvraag door te zenden. Bovendien wees het College verzoeker op de mogelijkheid om zich bij een centrumgemeente te melden. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

10/4969 WWB
10/5103 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juli 2010, 10/4152 en 10/4151, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: het College)
Datum uitspraak: 28 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. K.R. Verkaart, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoeker heeft mr. K.R. Verkaart eveneens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 november 2010, waar partijen, zoals vooraf bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2. Ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
2.1. Verzoeker is een meerderjarige vreemdeling van gestelde Chinese nationaliteit. Hij is niet eerder in Nederland toegelaten en heeft op 14 september 2009 een verzoek ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Verzoeker stelt in verband met het ontbreken van identiteitsbewijzen en/of reisdocumenten vooralsnog niet naar China terug te kunnen keren, omdat hij daar zonder geldige reispapieren niet wordt toegelaten.
2.2. Mr. Verkaart heeft bij brief van 16 oktober 2009 aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Zoetermeer namens verzoeker een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
2.3. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het College die aanvraag afgewezen.
2.4. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 2 december 2009 ongegrond verklaard. Dit besluit berust primair op het standpunt van het College dat verzoeker niet zijn woonplaats heeft in de gemeente Zoetermeer en dat van hem ook geen andere woonplaats bekend is.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) het beroep tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb afgewezen.
4. Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond is verklaard.
5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
5.1. De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 16 oktober 2009, de datum van de aanvraag, tot en met 2 december 2009, de datum waarop het primaire besluit is genomen. Voor de van belang zijnde artikelen van de WWB en de daarop gebaseerde regelingen verwijst hij naar de aangevallen uitspraak.
5.2. Verzoeker heeft zijn hoger beroep beperkt tot het betoog dat het College de uit artikel 2:3, eerste lid, van de Awb voortvloeiende doorzendplicht heeft geschonden. In dit verband heeft verzoeker gewezen op het Besluit WWB 2007. In dat besluit zijn zogenoemde centrumgemeenten aangewezen waar belanghebbenden zonder adres zich voor het verlenen van bijstand kunnen melden. Volgens verzoeker heeft het College verzuimd de aanvraag van verzoeker door te zenden naar één van die centrumgemeenten. De rechtbank heeft dit volgens verzoeker miskend.
5.3. De voorzieningenrechter kan zich echter verenigen met het in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel van de rechtbank op dit punt. Hij overweegt daartoe nog het volgende.
5.4. Ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. Verzoeker heeft gesteld dat hij als een adresloze moet worden aangemerkt. Daarom heeft hij de aanvraag gedaan onder opgave van een postadres te Zoetermeer. Nu verzoeker echter niet zijn feitelijke verblijfplaats aan het College bekend heeft gemaakt, was het College niet in staat te beoordelen welk bestuursorgaan kennelijk bevoegd was de aanvraag van verzoeker in behandeling te nemen. Daarom kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van het College verlangd worden de aanvraag door te zenden. De Raad wijst er nog op dat het College verzoeker niettemin heeft gewezen op de mogelijkheid een aanvraag in te dienen bij één van de centrumgemeenten. Daarom faalt het betoog van verzoeker.
5.5. Het hoger beroep treft geen doel, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5.6. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
op het verzoek om een voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2010.
(get.) O.L.H.W.I. Korte.
(get.) N.M. van Gorkum.
IJ