ECLI:NL:CRVB:2010:BO9360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag aanvullende bijstand en bezwaar tegen beëindigingsbesluit vermogen
Betrokkene en zijn echtgenote ontvingen vanaf 2003 bijstand naast AOW. Na onderzoek bleek dat zij onroerend goed in Turkije bezaten met een waarde boven het vrij te laten vermogen, waarop het College de bijstand per 1 januari 2005 beëindigde. Betrokkene diende in 2007 een aanvraag in voor aanvullende bijstand vanaf 1 januari 2005, die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd afgewezen wegens het vermogen.
De aanvraag over de periode 2005-2006 werd door de Svb doorgestuurd naar het College, dat deze afwees bij besluit van 28 september 2007. Betrokkene maakte bezwaar met een brief van 3 oktober 2007, maar het College verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College onzorgvuldig heeft gehandeld door de brief van 3 oktober 2007 niet als bezwaar tegen het besluit van 28 september 2007 te behandelen, maar als bezwaar tegen het beëindigingsbesluit van 2004. Dit is in strijd met artikel 3:46 Awb Pro. De Raad vernietigt het besluit van 1 november 2007 en verklaart het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2007 ongegrond omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herziening rechtvaardigen. Bijstand voor de periode 2 januari 2005 tot en met 31 december 2006 wordt niet verleend omdat deze periode voorafgaat aan de aanvraagdatum zonder bijzondere omstandigheden.
De Raad veroordeelt het College in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De aanvraag om aanvullende bijstand over 2005-2006 wordt terecht afgewezen en het bezwaar tegen het afwijzingsbesluit wordt ongegrond verklaard.