ECLI:NL:CRVB:2010:BO9362
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding ondanks betwisting samenlevingscontract
Verzoeker diende op 24 juli 2008 een aanvraag om bijstand in, die door het College van B&W van Breukelen werd afgewezen omdat verzoeker een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn toenmalige partner. Verzoeker betwistte dit en stelde dat de samenlevingsovereenkomst was verbroken. De rechtbank vernietigde het besluit van 4 december 2008 wegens motiveringsgebrek en beval een nieuw besluit op bezwaar.
Het College nam op 9 augustus 2010 een nieuw besluit waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde dat het College ten onrechte het rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding toepaste zonder voldoende onderzoek naar de feitelijke situatie. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de samenlevingsovereenkomst was beëindigd, mede omdat partijen nog samenwoonden en kosten deelden.
De voorzieningenrechter vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestond. De onvolledige ondertekening van besluiten werd geacht geen gevolgen te hebben omdat het College bevoegd was en verzoeker niet in zijn belangen was geschaad.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van bewijs dat de gezamenlijke huishouding is beëindigd.