Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser ontving sinds 1987 een AWW-uitkering, later omgezet in een Anw-uitkering. Verweerder beëindigde de Anw-uitkering per 1 juni 1997 en herzag het AOW-pensioen per september 2009 vanwege een samenlevingscontract met [persoon A] en gezamenlijke huishouding. Eiser betwistte dit en stelde dat de overeenkomst slechts voor hypotheekdoeleinden was en dat de affectieve relatie al lang was beëindigd.
Uit onderzoek bleek dat eiser en [persoon A] sinds 1997 samenwoonden in een gezamenlijke woning die zij beiden bezitten, met een geldend samenlevingscontract waarin zij zich verplichtten bij te dragen aan de huishouding. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een zelfstandige woning voor [persoon A] en het bestaan van het contract voldoende bewijs vormen voor een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verwierp het verweer van eiser dat de affectieve relatie en het contract niet meer van toepassing waren en dat terugvordering onredelijk was vanwege zijn financiële situatie. Eiser had niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht en verkeerde informatie verstrekt. De terugvordering van € 158.993,43 werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van AOW- en Anw-uitkeringen bevestigd.