ECLI:NL:CRVB:2011:BP0483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot verzoek grotere vrijlating inkomsten bewindvoerder in WSNP niet onrechtmatig
Appellant heeft in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) een bewindvoerder toegewezen gekregen. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering, welke aanvankelijk werd afgewezen maar later werd toegekend onder de voorwaarde dat appellant de bewindvoerder zou verzoeken om een grotere vrijlating van zijn inkomsten.
Appellant stelde dat deze verplichting in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en dat het College de last onterecht bij schuldeisers legde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College bevoegd was deze verplichting op te leggen op grond van artikel 55 WWB Pro, omdat de kosten van bewindvoering als bijzondere noodzakelijke kosten kunnen worden bestreden uit de inkomsten van appellant.
De Raad stelde vast dat er geen strijd is met het motiveringsbeginsel en dat het verschil in uitvoering tussen gemeenten geoorloofd is vanwege de gedecentraliseerde uitvoering van de WWB. Ook het feit dat minder overblijft voor schuldeisers speelt geen rol binnen de bijstandsverlening. Appellant heeft aan de verplichting voldaan waarna de bijstand werd beëindigd. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het College terecht de verplichting heeft opgelegd om de bewindvoerder te verzoeken om een grotere vrijlating van de inkomsten van appellant.