ECLI:NL:CRVB:2011:BP4366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep over pensioenpremieverplichting werkgever
Appellante was in dienst bij een werkgever die failliet werd verklaard. Zij verzocht het Uwv om overname van loon- en pensioenverplichtingen van de werkgever. Het Uwv kende een uitkering toe voor loon en brandstofkosten, maar wees de overname van pensioenpremies af omdat appellante volgens het Uwv niet tijdig actie had ondernomen om betaling te verkrijgen.
De rechtbank vernietigde dit besluit en beval een nieuw besluit, waarbij het Uwv alsnog een deel van de pensioenpremie overnam. In hoger beroep stelde appellante dat de pensioenpremie over een langere periode moest worden overgenomen omdat dit een verplichting aan een derde betrof. De Raad oordeelde dat er geen betalingsverplichting aan een derde was en dat de pensioenpremie terecht als loon was aangemerkt.
Omdat het Uwv in het nieuwe besluit niet langer stelde dat appellante niet adequaat had gehandeld, had appellante geen procesbelang meer bij het hoger beroep en werd dit niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard en het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit van het Uwv ongegrond.