ECLI:NL:CRVB:2011:BP5560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gehuwdenpensioen en intrekking nabestaandenpensioen bij gezamenlijke huishouding
Appellanten voerden hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Maastricht waarin hun bezwaren tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) ongegrond werden verklaard. De Svb had vastgesteld dat appellanten sinds 1 juli 2004 een gezamenlijke huishouding voeren, wat gevolgen had voor de toekenning van het AOW-gehuwdenpensioen aan appellant en de intrekking van het nabestaandenpensioen en het ongehuwdenpensioen van appellante.
De Raad bekeek de feiten, waaronder een onderzoek naar de leefsituatie van appellanten na een anonieme tip, waarbij verklaringen en een checklist werden opgesteld. Appellanten betwistten de juistheid en de rechtmatigheid van deze verklaringen, maar de Raad oordeelde dat de verklaringen rechtsgeldig waren en voldoende feitelijke grondslag boden voor de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De Raad benadrukte dat het feitelijke samenwonen en het voeren van een gezamenlijke huishouding centraal staan, niet de intenties of motieven van de betrokkenen. Op grond hiervan werd het gehuwdenpensioen aan appellant toegekend en het nabestaandenpensioen van appellante ingetrokken met ingang van 1 augustus 2004. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en de hoger beroepen van appellanten werden verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten vanaf juli 2004 een gezamenlijke huishouding voeren en wijst de hoger beroepen af.