ECLI:NL:CRVB:2011:BP5724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant 1 ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande met toeslag. Na een anonieme melding startte de gemeente Utrecht een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit het onderzoek, inclusief verhoren en getuigenverklaringen, bleek dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit aan het College te hebben gemeld.
Het College trok de bijstand over de periode van 1 oktober 2002 tot en met 31 juli 2007 in en vorderde de kosten van bijstand terug, waarbij ook appellant 2 hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld. De rechtbank stelde de ingangsdatum van beëindiging bijstand vast op 13 augustus 2007 en verklaarde het beroep van appellant 1 deels gegrond.
In hoger beroep betwistten appellanten het bestaan van een gezamenlijke huishouding en de rechtmatigheid van het onderzoek, waaronder de verklaring onder druk. De Raad oordeelde dat de verklaringen en het onderzoeksrapport voldoende objectieve aanwijzingen bevatten voor het bestaan van wederzijdse zorg en gezamenlijke huishouding. De stellingen van appellanten over druk en onrechtmatigheden werden verworpen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het beroep van appellanten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.