ECLI:NL:CRVB:2011:BP6038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en afwijzing WIA-uitkering
Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens diverse klachten. Per 18 maart 2006 werd deze uitkering ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Appellante meldde zich per 2 mei 2006 met toegenomen arbeidsongeschiktheid door rechterheupklachten als gevolg van artrose, maar het UWV stelde vast dat deze klachten niet voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder een WAO-uitkering ontving.
Na diverse bezwaren en rechtszaken bevestigde de rechtbank de besluiten van het UWV. Appellante voerde onder meer aan dat sprake was van een zogenaamde Amber-situatie en betwistte de medische beoordeling, waaronder de diagnose fibromyalgie. De Raad oordeelde echter dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat fibromyalgie niet als oorzaak kon worden aangewezen voor de heupklachten.
De arbeidscapaciteit werd beoordeeld aan de hand van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarbij de Raad het rapport van bureau eMMe minder zwaar woog. De Raad concludeerde dat appellante niet arbeidsongeschikt genoeg was voor een WIA-uitkering en dat de wachttijd van vier weken (Amber-situatie) niet van toepassing was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering worden bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en verschillende ziekteoorzaken.