ECLI:NL:CRVB:2011:BP6150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering nabestaandenuitkering na gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) die werd beëindigd nadat zij trouwde en vermoedelijk vanaf september 2002 een gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde de uitkering en vorderde terugbetaling van te veel ontvangen bedragen.
De rechtbank gaf deels gelijk aan appellante, maar de Raad stelde vast dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf februari 2004 was begonnen, waarna de uitkering terecht werd ingetrokken. De Raad vernietigde eerdere besluiten over terugvordering wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing moest nemen.
De Svb vorderde vervolgens een bedrag van € 22.541,76 terug voor de periode maart 2004 tot en met december 2005. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de specificatie onjuist was, dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen en dat proceskosten onjuist waren toegewezen.
De Raad oordeelde dat de specificatie van de Svb correct was, inclusief vakantietoeslag, en dat eerdere bezwaren over dringende redenen reeds waren verworpen. Nieuwe argumenten ontbraken. Ook de proceskostenvergoeding werd bevestigd. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de nabestaandenuitkering en wijst het hoger beroep af.