ECLI:NL:CRVB:2009:BH7901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Betrokkene ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde dat betrokkene en haar echtgenoot vanaf september 2002 een gezamenlijke huishouding voerden en beëindigde daarom de uitkering per 1 oktober 2002. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende bewijs.
De Raad onderzocht het bewijs opnieuw, waaronder verklaringen van buurtbewoners en waarnemingen van het woonadres, en concludeerde dat het hoofdverblijf van betrokkene en haar echtgenoot pas vanaf februari 2004 in dezelfde woning was. Vanaf die datum was ook sprake van wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding.
De Raad bepaalde dat de intrekking van de uitkering met ingang van 1 oktober 2002 niet gehandhaafd kan blijven, maar dat de uitkering terecht is ingetrokken vanaf 1 maart 2004. De terugvordering van de uitkering over de periode 1 maart 2004 tot 31 december 2005 blijft in stand. Verder veroordeelde de Raad de Svb in de proceskosten van betrokkene en bepaalde dat de Svb het betaalde griffierecht aan betrokkene vergoedt.
Uitkomst: De nabestaandenuitkering wordt ingetrokken met ingang van 1 maart 2004 en de terugvordering over die periode blijft gehandhaafd; eerdere intrekking per 1 oktober 2002 wordt vernietigd.