ECLI:NL:CRVB:2011:BP6474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Voortzetting WAO-uitkering ondanks geen persoonlijkheidsstoornis en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant, voormalig organisatiechef, kreeg een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze in 2005 in wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid, maar na bezwaar werd de uitkering voortgezet op 35-45%. De rechtbank vernietigde een eerdere beslissing van het UWV, waarna de Raad de rechtbankuitspraken bevestigde en oordeelde dat het UWV onvoldoende zorgvuldig had gehandeld.
Na aanvullend onderzoek door een psychiater en verzekeringsarts werd vastgesteld dat appellant geen persoonlijkheidsstoornis had en geen beperkingen in functioneren kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV ongegrond, omdat de medische rapporten geen ziekte of gebrek in de zin van de WAO aantoonden.
In hoger beroep stelde appellant dat eerdere psychiatrische adviezen ook meegewogen moesten worden en dat de redelijke termijn was overschreden. De Raad oordeelde dat de medische rapporten voldoende waren en appellant in staat was om in loondienst te werken. De Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar en kende appellant een schadevergoeding van €1.000 toe. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt voortgezet met een mate van 35 tot 45% en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.