ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV en vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in WAO-procedure
Appellante, die sinds 1996 wegens ziekte niet meer werkte, vroeg een WAO-uitkering aan die aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar en beroep vernietigde de Raad eerdere uitspraken en beval het UWV een nieuw besluit te nemen. Het UWV kende vervolgens een gedeeltelijke WAO-uitkering toe, maar appellante stelde dat het medisch onderzoek onvolledig was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het UWV-besluit.
In hoger beroep stelde appellante dat de medische rapporten gezamenlijk moesten worden beoordeeld en verzocht zij om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de medische rapporten juist had gewogen. De totale procedure duurde ruim zeven jaar, waarbij de rechterlijke fase binnen redelijke termijn bleef, maar de overschrijding volledig aan het UWV toe te rekenen was.
De Raad vernietigde het besluit van 8 februari 2006, liet de rechtsgevolgen intact, en veroordeelde het UWV tot een immateriële schadevergoeding van €4.000 wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en appellante krijgt een schadevergoeding van €4.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.