ECLI:NL:CRVB:2011:BP6499

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5405 AAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:84 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek kwijtschelding restantschuld UWV wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant verzocht het UWV om kwijtschelding van een restantschuld van circa €53.000,- vanwege teveel ontvangen uitkeringen en toeslagen. Het UWV wees dit verzoek af op grond van het beleid dat bij fraude pas kwijtschelding kan worden overwogen indien minimaal 50% van de schuld is terugbetaald en gedurende vijf jaar volledig aan de betalingsverplichting is voldaan.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant stelde in hoger beroep dat de lange duur van de aflossing, onmogelijkheid tot aflossing van de helft van de schuld, voortdurende fysieke en psychische belasting en verslechterde medische situatie bijzondere omstandigheden vormden om van het beleid af te wijken.

De Raad oordeelde dat het verzoek geen herhaalde aanvraag was en dat het UWV het standpunt in redelijkheid kon innemen dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren. Leeftijd, schuldhoogte en lange invorderingsduur zijn volgens de Raad bij het beleid betrokken en appellant bracht geen nieuwe medische gegevens in die een wezenlijke verslechtering aantonen.

Daarom bevestigde de Raad de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 maart 2011.

Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de restantschuld wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

09/5405 AAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 augustus 2009, 09/96 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. van der Veer, advocaat te Meppel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij besluit van 18 juli 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 22 december 2008 (hierna: het bestreden besluit), het verzoek van appellant afgewezen om kwijtschelding van een restantschuld van ongeveer € 53.000,- in verband met in de periode 1 juni 1990 tot 1 augustus 1995 teveel ontvangen uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en teveel ontvangen toeslag. Het Uwv heeft geen bijzondere omstandigheden aangenomen om met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van het beleid dat ingeval van fraude pas kwijtschelding kan worden overwogen wanneer gedurende vijf jaar volledig aan de betalingsverplichting is voldaan en tenminste 50% van de schuld is terugbetaald.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de lange duur van de aflossing, de onmogelijkheid de schuld voor tenminste de helft af te lossen, de voortdurende fysieke en psychische belasting die de schuld met zich brengt en zijn verslechterde medische situatie als bijzondere omstandigheden moeten worden aangemerkt om af te wijken van het beleid van het Uwv.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De rechtbank heeft het onderhavige verzoek om kwijtschelding ambtshalve aangemerkt als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb omdat het Uwv bij het besluit van 22 december 2004 een eerder verzoek om kwijtschelding heeft afgewezen. Dit acht de Raad niet juist. Het onderhavige verzoek is geen herhaalde aanvraag, maar een nieuwe aanvraag. Immers, dit verzoek heeft betrekking op een latere datum, en op een gewijzigde restantschuld, die – logischerwijs – nog niet door het Uwv is beoordeeld. De situatie van artikel 4:6 van Pro de Awb doet zich hier dan ook niet voor.
4.3.1. De Raad ziet zich geplaatst voor de vraag of het Uwv in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb niet is gebleken. De uitspraak van de Raad van 15 oktober 2008, 07/2787, waarbij de rechtmatigheid van het vorenvermelde besluit van 22 december 2004 is onderschreven, vormt het uitgangspunt bij de beantwoording van deze vraag. Daarin heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv het verzoek om kwijtschelding in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Het Uwv heeft zich volgens de Raad op het standpunt kunnen stellen dat leeftijd en hoogte van de schuld nimmer een bijzondere omstandigheid opleveren, omdat deze factoren bij het vaststellen van het beleid zijn meegenomen. Voorts heeft de Raad overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem sprake is van een zodanig psychisch lijden dat sprake is van een bijzondere medische situatie als gevolg van de invordering, die zodanig ernstig en buitengewoon is dat het Uwv in redelijkheid daaraan niet voorbij heeft kunnen gaan. Daarbij heeft de Raad de brief van psychiatrisch verpleegkundige E.J.M. Kanters van 18 april 2008 in zijn beoordeling meegewogen.
4.3.2. In de onderhavige procedure heeft appellant in essentie dezelfde omstandigheden aangevoerd als vermeld in de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2008. De Raad ziet geen aanleiding om daaromtrent thans een andersluidend oordeel te geven. Het gegeven dat er een aantal jaren is verstreken, maakt nog niet dat nu wel sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb. In dit verband heeft het Uwv zich op het standpunt kunnen stellen dat de lange invorderingsduur nimmer als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt, nu deze factor bij het vaststellen van het beleid is meegenomen. Voorts heeft appellant ook in de onderhavige procedure onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzondere medische situatie als bedoeld in rechtsoverweging 4.3.1. Appellant heeft geen nieuwe medische gegevens ingebracht waaruit een (wezenlijke) verslechtering van zijn psychische dan wel lichamelijke toestand kan worden afgeleid.
4.3.3. Hetgeen in 4.3.1 en 4.3.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv het verzoek om kwijtschelding in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M. Mostert.
KR