ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing kwijtschelding restantschuld bijstand
Appellante heeft een verzoek tot kwijtschelding van een restantschuld bijstand ingediend, dat door het College is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet verschijnen van appellante en haar gemachtigde ter zitting, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat het niet verschijnen niet aan de inhoudelijke beoordeling in de weg stond.
De Raad oordeelt dat het College ten onrechte artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toepaste bij het nieuwe beoordelingsmoment van het verzoek om kwijtschelding, aangezien sprake was van een gewijzigde restantschuld en een nieuw verzoek. De Raad beoordeelt vervolgens de inhoudelijke gronden en concludeert dat appellante niet voldoet aan de criteria voor kwijtschelding op grond van de beleidsregels, omdat haar inkomen ten minste de beslagvrije voet bedraagt en er geen zeer bijzondere omstandigheden zijn.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed. Hiermee wordt het geschil inhoudelijk alsnog beoordeeld en wordt een finale beslissing genomen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.