ECLI:NL:CRVB:2011:BP8476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H. Bolt
- H.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante meldde zich ziek in 2004 en ontving een WW-uitkering. Het UWV stelde in 2006 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen werden onderschat. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuwe beoordeling.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige, Kemperman, die concludeerde dat appellante geen cognitieve beperkingen had die haar arbeidsvermogen substantieel verminderden. De rechtbank volgde dit oordeel en stelde dat het UWV geen onjuist ziektebegrip of beoordelingskader had gehanteerd.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze conclusies en oordeelde dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende medisch en arbeidskundig was onderbouwd. De Raad corrigeerde de proceskostenveroordeling en veroordeelde het UWV tot vergoeding van een hoger bedrag aan proceskosten en griffierecht.
De Raad wees ook de stelling van appellante af dat twee van de vijf functies waarop de beoordeling was gebaseerd, te belastend waren. De Raad achtte de onderbouwing van het UWV toereikend en verklaarde het beroep tegen het besluit van 8 juni 2010 ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de weigering van een WIA-uitkering wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.