ECLI:NL:CRVB:2011:BP8871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de definitie van onderhuurders in gemeentelijke bijstandstoeslagregeling
Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam had betrokkene bijstand toegekend volgens de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10%, omdat betrokkene een kamer huurt van zijn moeder, een bloedverwant in de eerste graad. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de toeslag, stellende recht te hebben op 20%.
De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd, stellende dat de gemeenteraad bewust niet de volledige definitie van onderhuurders uit de Wet op de huurtoeslag had overgenomen, met name voor bloedverwanten in de eerste graad. De Raad oordeelt echter dat de gemeenteraad juist heeft beoogd bloedverwanten in de eerste graad niet als onderhuurders te beschouwen, conform de toelichting bij de Verordening.
De Raad concludeert dat betrokkene geen onderhuurder is in de zin van de Verordening en dus geen aanspraak kan maken op een hogere toeslag dan 10%. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van 13 mei 2008 ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van het College wordt gegrond verklaard en het besluit van 13 mei 2008 blijft in stand, waardoor betrokkene geen hogere toeslag dan 10% ontvangt.