ECLI:NL:CRVB:2011:BP8873
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant heeft op 5 maart 2008 een langdurigheidstoeslag aangevraagd bij het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Deze aanvraag werd op 12 april 2008 afgewezen omdat appellant gedurende een gedeelte van de referteperiode van 60 maanden vermogen bezat dat hoger was dan het vrij te laten vermogen volgens artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB).
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het College verklaarde dit bezwaar op 26 juni 2008 ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde deze beslissing in haar uitspraak van 3 juli 2009. Appellant stelde zich hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellant in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 augustus 2003 vermogen had dat de toegestane grens overschreed, waardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de langdurigheidstoeslag. De Raad volgde daarmee de eerdere uitspraak en bevestigde de afwijzing van de aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen wegens vermogen boven de toegestane grens gedurende de referteperiode.