ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-248 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 18 WWBArt. 7 Verordening Wet werk en bijstand 2007Art. 11 Verordening Wet werk en bijstand 2007Art. 3 Verordening Wet werk en bijstand 2007
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens weigering arbeidsinschakeling bij voorgenomen remigratie

Appellant ontving een bijstandsuitkering en was verplicht deel te nemen aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. Hij weigerde dit traject te ondertekenen vanwege medische klachten en voorgenomen remigratie naar Marokko.

Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage verlaagde de bijstand met 100% omdat appellant niet meewerkte aan het traject, wat volgens de WWB en de gemeentelijke verordening rechtvaardigde verlagingen oplevert. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn remigratie en afstand van de Nederlandse nationaliteit dringende redenen vormden om de verlaging achterwege te laten. De Raad oordeelde dat zolang de bijstand wordt ontvangen, de verplichtingen blijven gelden en dat er ten tijde van de maatregel nog geen concrete remigratiebeslissing was.

De Raad concludeerde dat de verlaging terecht was opgelegd en dat de voorgenomen remigratie geen grond bood om van de maatregel af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% wegens weigering arbeidsinschakeling wordt bevestigd ondanks voorgenomen remigratie.

Uitspraak

09/248 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 december 2008, 08/3822 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 29 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 januari 2011. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1 Appellant ontving vanaf 6 januari 2000 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 23 november 2005 heeft het College vastgesteld dat alle arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB op appellant van toepassing zijn. Het College heeft appellant in 2007 bij herhaling, waaronder bij besluiten van 22 juni 2007, 11 september 2007 en 15 oktober 2007, maatregelen opgelegd op de grond dat appellant niet de medewerking heeft verleend waartoe hij op grond van artikel 9, eerste lid van de WWB is gehouden. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Op 27 november 2007 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en een bijstandsconsulent van de gemeente ’s-Gravenhage over het opstarten van het traject ‘Project Alleenstaande Mannen’, dat gericht is op de vergroting van de kans op werk. Appellant heeft echter volhard in zijn standpunt dat hij wegens de eerder door hem naar voren gebrachte medische klachten niet aan enig traject kan deelnemen en heeft geweigerd het trajectplan te ondertekenen.
1.2. Bij besluit van 21 december 2007 heeft het College de bijstand van appellant over de maand januari 2008 met 100% verlaagd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat het trajectplan is opgesteld om de kans op werk te vergroten en dat appellant door de weigering het trajectplan te ondertekenen of terug te geven, de uitstroom naar werk belemmert. Er zijn volgens het College geen dringende redenen om van verlaging af te zien.
1.3. Bij besluit van 7 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 7 april 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat de rechtbank miskend heeft dat het indienen van een aanvraag tot remigratie, het afstand doen van de Nederlandse nationaliteit voor dit doel en het vervolgens werkelijk remigreren naar Marokko dringende redenen opleveren in de zin van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007 van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: Verordening) om een maatregel achterwege te laten. Voorts betoogt appellant dat met deelname aan het traject zijn arbeidsparticipatie wordt nagestreefd, maar dat in zijn geval die deelname door zijn remigratie nimmer tot het beoogde doel zal kunnen leiden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Verordening verwijst naar de aangevallen uitspraak.
4.1. Niet in geschil is dat voor appellant ten tijde in geding de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB golden, dat hij verplicht was gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en dat hij geweigerd heeft van een dergelijke voorziening gebruik te maken.
4.2. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen en dat de gedraging van appellant met toepassing van artikel 7, aanhef, tweede lid, onder a, van de Verordening terecht is gekwalificeerd als van de tweede categorie. Artikel 11, eerste lid van de Verordening bepaalt dat bij een gedraging van de tweede categorie de bijstand met 100% wordt verlaagd gedurende één maand.
4.3. In hetgeen appellant onder 3 heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellant, de mate waarin appellant die gedraging kon worden verweten en de omstandigheden waarin appellant verkeerde aanleiding geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 3 van Pro de Verordening de verlaging van bijstand vast te stellen op minder dan 100% van de bijstandsnorm of gedurende een kortere periode dan een maand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat appellant voornemens was te remigreren naar Marokko hem niet ontsloeg van zijn verplichting gebruik te maken van de voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Zolang appellant een bijstandsuitkering ontvangt, dient hij immers te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Bovendien was er ten tijde van het opleggen van de maatregel nog geen sprake van een op handen zijnde beslissing op een remigratieaanvraag. De eerste concrete contacten daarover vonden plaats in februari 2008 en eerst op 31 maart 2008 is de bijstand van appellant beëindigd in verband met zijn migratie naar Marokko.
4.4. Tegen de achtergrond van het voorgaande, ziet de Raad in de stelling van appellant dat deelname aan het traject in zijn geval in verband met de voorgenomen remigratie niet tot reële arbeidsparticipatie kon leiden evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Het College was dus niet bevoegd van de verlaging van bijstand af te zien.
4.5. Uit het onder 4.3 en 4.4 overwogene vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) C. de Blaeij.
HD