ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0098

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-503 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWArt. 4 WWArt. 5 sub d WWBesluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd (Stb. 1986, 655)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking

Appellant verrichtte als koerier werkzaamheden voor een werkgever, maar na beëindiging van de samenwerking weigerde het UWV een WW-uitkering toe te kennen omdat appellant niet als werknemer werd beschouwd. Zowel de kantonrechter als het Gerechtshof en de rechtbank oordeelden dat er geen arbeidsovereenkomst bestond vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding en de feitelijke uitvoering van de overeenkomst.

In hoger beroep stelde appellant dat wel sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat hij op grond van een besluit als verzekerde moest worden aangemerkt. De Raad overwoog dat partijen een overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling op verschillende manieren kunnen vormgeven, maar dat de feitelijke uitvoering en de bedoeling bij het sluiten van de overeenkomst bepalend zijn. Het Gerechtshof had vastgesteld dat appellant als zelfstandige stond ingeschreven, eigen bedrijfsmiddelen gebruikte, facturen met btw stuurde en risico droeg voor ziekte en vakantie.

De Raad vond geen reden om af te wijken van eerdere uitspraken en concludeerde dat appellant onvoldoende had gesteld om te bewijzen dat sprake was van een dienstbetrekking. Ook de subsidiaire stelling op grond van het Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd faalde, omdat dit besluit niet van toepassing was op de relatie tussen appellant en werkgever.

De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen werknemer is en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/503 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 december 2009, 08/3137 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010. Appellant was vertegenwoordigd door mr. B. Leemhuis, kantoorgenoot van mr. Schröder. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.
Na de behandeling ter zitting is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Leemhuis. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft als koerier werkzaamheden verricht ten behoeve van [naam werkgever B.V.] Nadat [werkgever] de samenwerking met appellant had beëindigd heeft appellant het Uwv verzocht hem een WW-uitkering toe te kennen.
1.2. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het Uwv WW-uitkering geweigerd omdat appellant niet verzekerd was. Hij was geen werknemer want er bestond geen gezagsverhouding tussen hem en [werkgever].
1.3. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 13 oktober 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.1. Op 8 augustus 2007 heeft de kantonrechter te Utrecht de door appellant ingediende vordering om voor recht te verklaren dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen hem en [werkgever] afgewezen.
2.2. Gedateerd 3 februari 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam dit vonnis bekrachtigd (LJN BH4194).
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen aanleiding te zien om anders te oordelen dan de kantonrechter en het Gerechtshof hebben gedaan. Appellant kan dus niet worden aangemerkt als verzekerde in de zin van artikel 3 van Pro de WW.
4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat wel degelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst. Hij heeft daartoe verwezen naar de in de bij het Gerechtshof ingediende memorie van grieven genoemde omstandigheden. Voorts heeft hij - subsidiair - gesteld dat hij op grond van artikel 5 sub d van Pro de WW in verbinding met artikel 1 van Pro het Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd van 24 december 1986 (Stb. 1986, 655) als verzekerde voor de WW moet worden aangemerkt.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Het Gerechtshof heeft (evenals de kantonrechter) voorop gesteld dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijze kunnen inrichten, en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, moeten daarbij in hun onderlinge verband worden bezien. Het Gerechtshof heeft vervolgens geoordeeld dat appellant onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij en [werkgever] bij het sluiten van de overeenkomst een arbeidsovereenkomst voor ogen hebben gehad. Daarbij heeft het Gerechtshof onder meer van belang geacht dat [werkgever] persé geen dienstverband wilde, dat appellant zich moest inschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat hij een VAR-verklaring moest overleggen. Het Gerechtshof is verder van oordeel dat ook uit de wijze waarop uitvoering werd gegeven aan de overeenkomst onvoldoende volgt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. De manier van werken bevestigt veeleer dat sprake was van een overeenkomst van opdracht. Het Gerechtshof heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant met een eigen bedrijf stond ingeschreven in het handelsregister en dat dat bedrijf beschikte over twee bedrijfsauto’s en facturen stuurde met BTW. Voorts had appellant gedurende een aantal maanden een werknemer in dienst. Ziekte en vakantie kwamen financieel voor risico van appellant. Het feit dat [werkgever] bepaalde aanwijzingen gaf past in beginsel ook bij een overeenkomst van opdracht. Ten slotte is door appellant onvoldoende gesteld dat hij op grond van zijn maatschappelijke of sociaal-economische positie gedwongen was in te stemmen met een contractskeuze die voor hem nadelig was. Het Gerechtshof is dan ook van oordeel dat appellant onvoldoende heeft gesteld om tot de conclusie te komen dat tussen hem en [werkgever] een arbeidsovereenkomst bestaat of heeft bestaan.
5.3. Evenals de rechtbank ziet de Raad ziet geen enkele reden om tot een andere conclusie te komen dan de kantonrechter en het Gerechtshof. Hetgeen appellant heeft aangevoerd is onvoldoende om te concluderen dat sprake was van een dienstbetrekking. Ook zijn stelling dat hij op grond van artikel 1 van Pro het in rechtsoverweging 4 vermelde Besluit als verzekerde moet worden aangemerkt treft geen doel. Artikel 1 van Pro dit Besluit ziet namelijk op de arbeidsverhouding van de thuiswerker en zijn hulp en heeft dus geen betrekking op de rechtsverhouding tussen appellant en [werkgever].
5.4. Het hoger beroep slaagt, gelet op de overwegingen 5.2 en 5.3, niet.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en C.W.J. Schoor en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011.
(get.) J. Brand.
(get.) T. Dolderman
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303,
2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.
GdJ