ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0412
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herleving WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid door zorgverlof
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster tot 1 april 2008 en vroeg op die datum een WW-uitkering aan. Het Uwv weigerde aanvankelijk de uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, maar de rechtbank vernietigde dit besluit en gaf het Uwv opdracht een nieuw besluit te nemen. Het Uwv betaalde vervolgens een WW-uitkering over de periode 1 april tot 31 juli 2008 en kende daarna zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen toe.
Op 6 augustus 2009 wees het Uwv de aanvraag tot herleving van de WW-uitkering vanaf 15 december 2008 af omdat appellante niet beschikbaar was voor arbeid. Dit bezwaar werd door het Uwv ongegrond verklaard. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel recht had op de uitkering en dat het niet rechtvaardig was dat achteraf voorwaarden werden gesteld.
De Raad overwoog dat beschikbaarheid voor arbeid een feitelijke toestand is die beoordeeld wordt aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden, waaronder houding en gedrag. De Raad stelde vast dat appellante ondubbelzinnig had verklaard niet beschikbaar te zijn vanwege de zorg voor haar tweeling. Zij had niet aangetoond feitelijk beschikbaar te zijn geweest. Het feit dat haar een WW-uitkering was toegekend voor elf maanden betekent niet dat zij niet aan de beschikbaarheidsvoorwaarde hoefde te voldoen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat appellante niet beschikbaar was en dat het Uwv terecht de herleving van de WW-uitkering had geweigerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op herleving van haar WW-uitkering vanaf 15 december 2008 wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid.