ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking in re-integratietraject
Appellante was eerder werkzaam via een ID-regeling bij de gemeente Rotterdam en koos ervoor om na beëindiging daarvan een arbeidsovereenkomst aan te gaan met P/flex, in het kader van een re-integratietraject bij Maatwerk. Deze overeenkomst werd aangeduid als een payroll-overeenkomst, met als doel uitstroom naar regulier werk.
Na afloop van deze overeenkomst vroeg appellante een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de activiteiten die zij verrichtte – scholing, sollicitatie en gesprekken – geen arbeid in de zin van artikel 7:610 BW Pro vormden en er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat het ontbreken van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van productieve arbeid, een essentieel criterium voor een arbeidsovereenkomst, niet aanwezig was. De re-integratieactiviteiten zijn geen arbeid en de CAO-bepalingen en andere omstandigheden ondersteunen dit niet anders.
Bovendien is geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging door het UWV dat appellante als werknemer zou worden beschouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en op de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren wordt afgewezen omdat appellante geen werknemer was. De Raad bevestigt de geweigerde WW-uitkering en legt geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen werknemer was en wijst het hoger beroep tegen de weigering van de WW-uitkering af.