ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking in re-integratietraject
Appellant was werkzaam bij de gemeente Rotterdam op basis van een arbeidsovereenkomst in het kader van de Instroom/Doorstroom-Regeling (ID-Regeling). Na beëindiging van deze regeling koos appellant voor een tweejarige payroll-overeenkomst met P/flex, ingevuld door Maatwerk, gericht op re-integratie en uitstroom naar regulier werk.
Het geschil betreft de vraag of appellant als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW kan worden aangemerkt. De Raad oordeelt dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vereist is dat er een verplichting tot persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en loonbetaling bestaat. De activiteiten van appellant, zoals het volgen van cursussen en sollicitatietrainingen binnen het Maatwerktraject, vormen geen arbeid in de zin van artikel 7:610 BW Pro.
De Raad stelt vast dat de overeenkomst met P/flex niet gericht was op het verrichten van productieve arbeid voor derden, maar op re-integratie. De CAO-bepaling waarop appellant zich beroept, is niet van toepassing omdat het traject niet voortkwam uit het wegvallen van arbeid. Ook het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situatie van appellant niet vergelijkbaar is met werknemers die onder een Sociaal Plan worden herplaatst.
Er is geen ondubbelzinnige toezegging door het UWV geweest dat appellant als werknemer zou worden beschouwd. Het enkele feit dat premies zijn afgedragen, is onvoldoende. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Appellant wordt niet als werknemer in de zin van de WW aangemerkt en heeft geen recht op een WW-uitkering.