ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking in re-integratietraject
Appellanten waren werkzaam bij de gemeente Rotterdam in het kader van de Instroom/Doorstroom-Regeling (ID-Regeling). Na beëindiging van deze regeling kozen zij voor een arbeidsovereenkomst met P/flex, ingevuld door Maatwerk, gericht op re-integratie naar regulier werk. De vraag was of zij als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW konden worden aangemerkt.
De Raad oordeelde dat de activiteiten van appellanten binnen het re-integratietraject, zoals scholing, sollicitatie en gesprekken, geen arbeid in de zin van artikel 7:610 BW Pro vormen. Er was geen verplichting tot het persoonlijk verrichten van productieve arbeid, een essentieel criterium voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De CAO-bepalingen en premieafdracht door P/flex konden dit niet veranderen.
De Raad verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel en op een mogelijke toezegging door het UWV. Ook de vergelijking met werknemers in een Sociaal Plan faalde omdat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van appellanten was geëindigd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Appellanten worden niet als werknemer in de zin van de WW aangemerkt en hebben geen recht op een WW-uitkering.