ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsverhouding ondanks betwisting zelfstandigheid betrokkene
Betrokkene verrichtte in 2003-2005 administratieve werkzaamheden voor appellante. Het UWV stelde correctienota's en boetenota's vast omdat zij deze werkzaamheden als in dienstbetrekking verricht beschouwde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat betrokkene niet als zelfstandige werkte vanwege onder andere het ontbreken van andere opdrachtgevers en een VAR.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat betrokkene als zelfstandige werkte, met argumenten als debiteurenrisico, vervangingsmogelijkheden en levering van schoonmaakproducten. De Raad overwoog dat deze argumenten niet afdoen aan de eerdere beoordeling dat er sprake was van een fictieve dienstbetrekking.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 april 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat betrokkene in dienstbetrekking werkte.