[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 juni 2008, 07/1105 (hierna: aangevallen uitspraak),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 19 april 2011
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Voor appellant is verschenen mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving en H.J. Roerig, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen.
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 23 augustus 2007 heeft appellant bij het College bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in de kosten van rechtsbijstand aangevraagd waarbij hij een adres in de gemeente Slochteren heeft opgegeven.
1.2. Bij brief van 28 september 2007 heeft het College de aanvraag van appellant doorgezonden naar het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Slochteren op de grond dat appellant in die gemeente woont. Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat het College op zijn aanvraag moet beslissen omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hij heeft daarbij tevens verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.
1.3. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het College het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 28 september 2007 geen besluit bevat in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat de brief van 28 september 2007 een besluit bevat voor zover daarbij is geweigerd een besluit te nemen op de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand.
3. De aanvraag van 23 augustus 2007 om bijzondere bijstand in kosten van rechtsbijstand is door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Slochteren teruggezonden naar het College en vervolgens door het College afgehandeld.
4. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Hij heeft aangevoerd dat, hoewel met de uitkomst van de procedure bij de rechtbank kan worden ingestemd, de beslissing van het College tot doorzending wel degelijk (en dus niet impliciet maar expliciet) als een beslissing op de aanvraag dient te worden aangemerkt, nu deze doorzending als rechtsgevolg heeft dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant, gevraagd naar het belang van appellant bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak door de Raad, opgemerkt dat zijn belang hierin is gelegen dat - indien het hoger beroep slaagt - hij mogelijk nog aanspraak maakt op vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand. Naar de Raad eerder heeft uitgesproken, is hierin voldoende procesbelang gelegen.
5.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de doorzendbrief van 28 september 2007 niet een (expliciete) beslissing op de aanvraag inhoudt. Met de doorzendbrief is ook niet beoogd dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. De doorzending strekte er juist toe dat de aanvraag wel zou worden behandeld, maar dan door een ander bestuursorgaan.
5.3. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011.