ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3034

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1065 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit tot intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 19 april 2011 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellante, die bijstand ontving op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand was per 10 mei 2007 ingetrokken omdat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer meende dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met [R.]. Appellante heeft dit ontkend en stelde dat zij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [R.] voor de datum van intrekking. De Raad heeft vastgesteld dat het College onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de claim dat appellante en [R.] in de relevante periode samenwoonden. De Raad oordeelde dat de bevindingen van de sociale recherche, die waren gebaseerd op observaties en getuigenverklaringen, niet voldoende waren om de intrekking van de bijstand te rechtvaardigen. De Raad vernietigde het besluit van 6 mei 2008, dat het bezwaar van appellante tegen de intrekking ongegrond had verklaard, en herstelde de situatie door het besluit van 31 juli 2007 te herroepen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante, die in totaal € 1.932,-- bedroegen. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering en bewijsvoering bij besluiten die de rechten van burgers op sociale bijstand raken.

Uitspraak

09/1065 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2009, 08/2363 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer (hierna: College)
Datum uitspraak: 19 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.H.L. Bakker, werkzaam bij het Samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft vanaf 21 november 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. De bijstand is met ingang van 10 mei 2007 ingetrokken naar aanleiding van de opgave van appellante dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met [R.].
1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip van 26 juli 2006 dat appellante sinds december 2005 samenwoont met [R.] heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bestond onder meer uit dossieronderzoek, het opvragen van gegevens bij verschillende instanties en bedrijven, waaronder een water- en energiebedrijf, frequente observaties bij de woning van appellante, het horen van buurtbewoners en het verhoor van appellante en [R.]. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport uitkeringsfraude van 9 juli 2007. Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 31 juli 2007 de bijstand van appellante over de periode van
1 maart 2006 tot en met 9 mei 2007 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 14.926,69 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 6 mei 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2007 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 6 mei 2008 ligt ten grondslag dat appellante heeft verzwegen dat zij in genoemde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [R.], dat zij om die reden niet aangemerkt kan worden als zelfstandig subject van bijstand en dat zij derhalve in die periode geen recht had op bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 mei 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij voor
10 mei 2007 geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [R.].
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.2. Het besluit van 6 mei 2008 is een voor appellante belastend besluit. Dat betekent dat op het College de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 1 maart 2006 tot en met 9 mei 2007. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche, zoals neergelegd in het rapport van 9 juli 2007, onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante in de periode hier in geding in haar woning een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [R.]. De gemachtigde van het College heeft ter zitting van de Raad verklaard dat aan het intrekkingsbesluit niet ten grondslag liggen de observaties bij de woning van appellante. Uit de omstandigheid dat [R.] eind februari 2006 zijn woning in [plaatsnaam] te koop heeft gezet, zijn contract met Eneco per 1 maart 2006 heeft opgezegd en deze woning in die tijd grotendeels heeft ontruimd, kan alleen worden afgeleid dat hij vanaf 1 maart 2006 geen hoofdverblijf heeft gehad in die woning, maar betekent op zichzelf niet dat hij vanaf die datum hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Derhalve is bepalend of op basis van de verklaringen die appellante en [R.] tijdens hun verhoor hebben afgelegd en de getuigenverklaringen van buurtbewoners van appellante een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het College dat [R.] vanaf 1 maart 2006 zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante.
4.3. Appellante en [R.] hebben tijdens hun verhoren op 28 juni 2007 ontkend dat zij in de onderhavige periode hebben samengewoond. Zij hebben afzonderlijk van elkaar verklaard dat [R.] in die periode alleen in de weekeinden bij appellante was en zij hebben ontkend dat hij ook doordeweeks bij haar verbleef. Tijdens het buurtonderzoek in de omgeving van de woning van appellante zijn drie buurtbewoners gehoord. Dit buurtonderzoek heeft plaatsgevonden eind juni/begin juli 2007 en derhalve nadat [R.] op 10 mei 2007 officieel zijn intrek bij appellante had genomen. Daargelaten dat de getuigenverklaringen over de duur van de bewoning van de bewuste woning door appellante uiteenlopen van één tot drie à vijf jaar, bevatten deze verklaringen naar het oordeel van de Raad geen dan wel onvoldoende concrete feiten en omstandigheden voor het standpunt dat [R.] vanaf 1 maart 2006 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante heeft gehad. [J.] heeft verklaard dat zij appellante en [R.] alleen in het weekeind ziet en doordeweeks nooit en heeft tevens verklaard dat zij hem af en toe ziet. [B.] heeft verklaard dat zij de bewoners van [adres] wel eens voorbij ziet lopen en dat zij hem ([R.]) op straat naar zijn auto ziet lopen, “ten minste ik neem aan dat hij hier woont.” Deze getuige heeft aan de hand van de haar getoonde foto appellante niet herkend. Alleen de verklaring van [V.] bevat concrete feiten en omstandigheden die een ondersteuning vormen voor het standpunt van het College dat [R.] in de periode in geding zijn hoofdverblijf heeft in de woning van appellante. Deze verklaring is naar het oordeel van de Raad echter ontoereikend om daarop het belastend besluit te baseren.
4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 volgt dat niet aannemelijk is geworden dat [R.] in de periode van 1 maart 2006 tot en met 9 mei 2007 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante heeft gehad. Aangezien aan een van de beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB niet is voldaan, behoeft de vraag of aan het tweede criterium, dat van wederzijdse zorg, wel is voldaan geen bespreking.
4.5. De Raad is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het besluit van 6 mei 2008 niet op een deugdelijke motivering berust zodat dit besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 6 mei 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb het besluit van 31 juli 2007 te herroepen nu dit besluit berust op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.
5. De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de (proces)kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.932,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 mei 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het besluit van 31 juli 2007;
Veroordeelt het College in de (proces)kosten van appellante: in bezwaar tot een bedrag van € 644,-- aan appellante, in beroep tot een bedrag van € 644,-- aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- aan appellante;
Bepaalt dat het College het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011.
(get.) A.B.J. van der Ham
(get.) R.L.G. Boot
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
HD