ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3050

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6224 AOR
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 AORArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over toekenning periodieke uitkering op grond van Algemene Oorlogsongevallenregeling

Appellant, geboren in 1941 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg in 2007 een periodieke uitkering aan op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerster erkende hem als oorlogsslachtoffer maar wees een uitkering af omdat het oorlogsletsel niet tot arbeidsongeschiktheid zou leiden. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit.

De Raad onderzocht de medische adviezen van Van der Molen en Textor, die een psychische invaliditeit van 25% vaststelden en stelden dat slechts een derde van de psychische klachten aan oorlogservaringen kon worden toegeschreven. De Raad oordeelde echter dat de motivering voor deze toeschrijving onvoldoende was, vooral omdat niet duidelijk werd waarom de naoorlogse gebeurtenissen zwaarder zouden wegen dan de oorlogservaringen.

De Raad concludeerde dat een toeschrijving van de helft van de psychische problemen aan de oorlogservaringen wel standhoudt bij rechterlijke toetsing. Het bestreden besluit werd daarom vernietigd en verweerster werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd verweerster veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een toerekening van ten minste de helft van de psychische klachten aan de oorlogservaringen.

Uitspraak

09/6224 AOR
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
en
de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 14 oktober 2009, kenmerk 0007573/CAOR (bestreden besluit). Het bestreden besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Voor appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berckel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.M.J. Gielen en mr. L.H.G. Belleflamme, beiden werkzaam bij de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Appellant, geboren in 1941 te [geboorteplaats] in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering in de zin van de AOR.
1.3. Bij besluit van 7 maart 2008 heeft verweerster appellant erkend als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR. Bij besluit van 15 juli 2008 heeft verweerster bepaald dat het (psychisch) oorlogsletsel niet heeft geleid tot een gehele of gedeeltelijke ongeschiktheid voor het verrichten van passende arbeid en dat aan appellant daarom geen periodieke uitkering wordt verstrekt. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerster dat bezwaar ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat ten onrechte zijn long- en hoofdpijnklachten niet zijn meegewogen bij het bepalen van de (mate van) arbeidsongeschiktheid. Voor wat betreft de psychische klachten heeft appellant gesteld dat deze tot verdergaande beperkingen leiden dan door verweerster is aangenomen. Ten slotte heeft appellant gesteld dat het voor hem niet duidelijk is waarom twee derde deel van de psychische klachten door verweerster als niet causaal is aangemerkt.
3. De Raad moet antwoord geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hierover overweegt de Raad als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 10 van Pro de AOR - voor zover hier van belang - komt in aanmerking voor een periodieke invaliditeitsuitkering hij die naar het oordeel van verweerster als gevolg van het hem overkomen oorlogsletsel geheel of voor een belangrijk deel ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid.
3.2. Het in het bestreden besluit neergelegde medisch standpunt van verweerster is in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur en arts G.M. van der Molen (hierna: Van der Molen). Deze arts heeft geconcludeerd dat er bij appellant sprake is van psychische klachten en dat de met deze klachten gepaard gaande beperkingen leiden tot een mate van algehele psychische invaliditeit van 25%. De psychische problematiek is volgens Van der Molen voor een derde deel in verband te brengen met het oorlogsgeweld. Van der Molen acht appellant als gevolg van het causale letsel niet ongeschikt tot het verrichten van passende arbeid, waaronder wordt verstaan werkzaamheden die in aard vergelijkbaar zijn met het laatst uitgeoefende beroep van lasser. Ten aanzien van de lichamelijke klachten (long- en hoofdpijnklachten) heeft
Van der Molen geconcludeerd dat deze niet met het oorlogsgeweld in verband kunnen worden gebracht, maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan. Na bezwaar heeft de geneeskundig adviseur en arts A.S.E.P. Textor (hierna: Textor) het advies van Van der Molen onderschreven.
3.3. Over de beroepsgrond van appellant dat de psychische klachten tot verdergaande beperkingen leiden dan door verweerster is aangenomen overweegt de Raad als volgt. Na onderzoek van appellant heeft Van der Molen geringe tot matige beperkingen aanwezig geacht in de dagelijkse activiteiten, in concentratie, doorzettingsvermogen en tempo evenals in aanpassing aan stressvolle omstandigheden. Van der Molen heeft geconstateerd dat appellant een man is die op zijn manier nog wat van het leven probeert te maken, al moet het algemeen niveau van functioneren niet hoog worden geschat. Hij slaagt erin tot een redelijke daginvulling te komen. De Raad is van oordeel dat op grond van de bevindingen uit het onderzoek van Van der Molen en nadien uit het onderzoek van Textor niet kan worden gezegd dat zij de beperkingen van appellant hebben onderschat. Dat blijkt ook niet anderszins; appellant heeft geen andersluidende medische gegevens in het geding gebracht.
3.4. Over appellants lichamelijke klachten hebben de geneeskundig adviseurs, en verweerster in navolging van hen, het volgende overwogen. Het is waarschijnlijk dat appellant tuberculose heeft opgelopen in het weeshuis waar hij acht jaar heeft verbleven vanaf 1947. In het weeshuis waren immers kinderen bijeengebracht die afkomstig waren vanuit marginale leef- en gezinsomstandigheden. Daarbij is ook meegewogen dat appellant de enige uit het gezin is die medisch bekend is geworden met longtuberculose en daarvoor is opgenomen. De migraineklachten die appellant voorheen had, treden niet langer op. Wel heeft appellant last van hoofdpijnklachten. Deze klachten hebben een relatie met stresserende invloeden. Appellant heeft veelsoortige gezins- en relatieproblematiek, hetgeen ertoe leidt dat voor wat betreft deze klachten een relatie met de oorlogsomstandigheden niet valt te leggen. De Raad kan deze bevindingen volgen.
3.5. Verweerster heeft in navolging van de geneeskundig adviseurs verder besloten dat appellants psychische problematiek voor een derde deel in verband te brengen is met het oorlogsgeweld. De oorlogservaringen van appellant die verweerster hierbij heeft betrokken zijn de internering in Padang en Bangkinang en het omkomen van appellants vader onder onopgehelderde omstandigheden tijdens de Japanse bezetting. Verder heeft verweerster meegewogen de beschietingen die appellant heeft meegemaakt in het Adekkamp en de agressie die hij heeft ondergaan van de Indonesiërs in de Bersiap-periode. Als naoorlogse levenservaringen heeft verweerster meegewogen het overlijden van naasten en de echtscheiding die leidde tot een reactief optreden van levensmoeheid bij appellant. Ook heeft verweerster bij haar beoordeling betrokken de psychische impact van de relatie van appellant met zijn dochter.
De Raad kan de weging van verweerster van deze omstandigheden, in onderling verband bezien, niet onderschrijven. Voor de conclusie dat gelet op de impact van de naoorlogse levenservaringen, ten hoogste een derde deel van de psychische problemen aan de oorlogservaringen kan worden toegeschreven, ziet de Raad geen deugdelijke motivering. Onvoldoende duidelijk is geworden waarom de na-oorlogse gebeurtenissen zwaarder zouden wegen dan de oorlogservaringen. Een toeschrijving van de helft van de psychische problemen aan de oorlogservaringen kan de rechterlijke toetsing echter wel doorstaan.
4. Wat onder 3.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het beroep slaagt en dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerster moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en het verzoek van appellant om de kosten in bezwaar te vergoeden.
5. De Raad ziet daarom aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Draagt verweerster op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,- ;
Bepaalt dat verweerster aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD